Beklimming van de Tupungato
Adèle RondaSit Nalta zij met ons
Een uitgebreid verslag van de trektocht van Roland en Adèle is geschreven door Roland en elders op deze site te vinden.
Dag 0
We staan op 2 januari in de ochtend te wachten op het vervoer dat ons van Santiago naar de Andes zal brengen. Ik ben blij als ik hier weg ben. Weg uit de krioelende mensenmassa. Niet meer bezig zijn met dingen regelen, inkopen doen, haasten. Ik ben de afgelopen 6 weken in Chili teveel gewend geraakt aan het leven in de natuur. Bezig zijn met de meest basale levensvragen: zal ik iets eten, zal ik gaan poepen, zal ik vroeg gaan slapen, hoever zullen we lopen. Het enige probleem waar je tegenaan loopt tijdens het maken van trekkings, is de vertaling van de cryptische routeomschrijvingen uit het gidsje, die je naar een volgende kampeerplek met water zou moeten leiden.
Onze chauffeur komt maar niet opdagen. Het is niks voor de goed georganiseerde Chilenen om te laat te komen. We bellen ongerust met het adventure-bureau die onze permits (bij 3 verschillende instanties), ons vervoer naar de berg en onze ezeltjes zou regelen. Tot onze verbazing kondigen ze doodleuk aan dat ze vandaag nog even de permits moeten regelen, omdat dat gisteren vanwege 1 januari niet gelukt is. Ik sta me terplekke enorm kwaad te maken. Wij schakelen niet voor niks ruim van te voren en voor veel geld een professioneel bureau in. We hadden van te voren gelezen dat permits regelen voor de Tupungato niet eenvoudig is, en we wilden geen enkel risico lopen dat er iets mis zou gaan.
Als we uiteindelijk ‘s avonds in Alfalfal arriveren, nog enkele kilometers verwijderd van ons doel ‘het einde van de weg’, staat ons een volgende verrassing te wachten. De ezelman met zijn ezel blijkt nog niet geregeld te zijn. Er wordt druk heen en weer gebeld door onze chauffeur en diverse andere mensen die zich in de discussie mengen. Het woord mañana valt erg vaak.
Dag 1
Uiteindelijk valt onze vertraging mee en staan er op 3 januari, slechts enkele uren later dan gepland, de muilezel en de ezeldrijver Lorenzo voor ons klaar. We bevinden ons aan het einde van de stoffige weg, enkele kilometers ten oosten van Alfalfal en ongeveer 50 kilometer ten westen van de Tupungato. We moeten vanaf hier nog 4500 hoogtemeters klimmen. De muilezel wordt volgeladen met onze enorme eettas met ruim 20 kilo aan eten en de twee grote volle rugzakken met slaapspullen, kookgerei, kleding, stijgijzers en pickels. We dragen zelf een licht dagrugzakje met wat tochtenvoer en limonade. Lorenzo heeft het zichzelf makkelijk gemaakt en rijdt op een paard. Ze draven er vandoor en een paar minuten later zien we alleen nog maar een stofwolk in de verte. Hm, we hebben er weer een probleem bij. Is Lorenzo van plan om tot het donker door te lopen zonder zich af te vragen of wij wel in staat zijn het campemento te bereiken? Is het überhaupt haalbaar om het basiskamp op 4200 m. in twee dagen tijd te bereiken? Toen wij dit boekte waren we in de veronderstelling dat de ezeldrijver zou lopen. En wat die ezeldrijver kan lopen, dat kunnen wij natuurlijk ook lopen. We proberen de paardensporen te volgen, maar dat valt nog niet mee. We lopen soms verkeerd; we stranden in een labyrint-achtig blokkenterrein of lopen vast bij een lastige rivieroversteek. Ik verbaas me soms over de moeilijke en lastige passages die zo’n muilezel kan nemen. In gedachte zie ik het beest al met onze waardevolle spulletjes in de rivier storten. Laat ik er maar vanuit gaan dat het beest vaster op zijn vier poten staat dan ik op mijn twee benen. In de namiddag komen we Lorenzo tegen, die uitgebreid zit te lunchen. We zijn erg opgelucht dat hij toch wacht op ons. We spreken af om vanavond door te lopen tot een bepaalde rivier. Het valt nog niet mee om concrete afspraken met Lorenzo te maken. Hij kent het gebied weliswaar op z’n duimpje, maar hij kan absoluut geen kaart lezen. En hij spreekt een rap dialect-achtig Spaans, zonder het vermogen te hebben om woorden die we niet begrijpen te vervangen door synoniemen. Als wij hem niet verstaan dan herhaalt hij zijn vorige zin, maar dan iets luider. We komen die eerste dag rond 19 uur op de afgesproken plek aan. We zijn zeer tevreden met het resultaat. We hebben wel 25 kilometer afgelegd en heel wat hoogtemeters gestegen en gedaald. Uiteindelijk staan we op 3200 meter. Lorenzo slaapt onder een zeiltje, draagt een poncho tegen de kou, eet soep uit een roestig blik die hij opwarmt boven een vuurtje. Wij slapen in een Terra Nova Utra Quasar die bestand is tegen orkaankracht 15, we gaan gekleed in windstopper en goretex en eten een Rizziebizzie maaltijdje met verse groenten die we opwarmen boven de MSR.
Dag 2
‘s Ochtends regent het en zegt Lorenzo dat we het basiskamp rond de 4200 meter niet kunnen bereiken. We zijn niet bepaald onder de indruk van een beetje miezerregen, wat iets hogerop sneeuw is, dus wat is nou het probleem? Kunnen de dieren niet door sneeuw lopen? Wil Lorenzo graag vandaag nog in één ruk terug lopen zodat hij niet hoeft te overnachten onder zijn zeiltje? Heeft hij er gewoon geen zin in met dit weer? Hoever Lorenzo onze spulletjes wilt brengen blijft onduidelijk. Als we het basiskamp vandaag niet bereiken, zal het ons twee extra dagen kosten om het zelf zonder ezelhulp te bereiken. Even rekenen: als we nu al twee dagen achter lopen op schema, dan mogen we de komende 10 dagen geen rustdag meer nemen en dan mogen we geen slecht-weer-dag hebben. Dat betekent dat de kans dat we de top gaan halen plotseling wel heel erg klein wordt. Nog meer tegenslag: na een paar uur lopen blijkt Roland zich erg ziek te voelen. Gelukkig zijn we op het moment dat Roland helemaal instort vlakbij Lorenzo. Roland wordt op het paard geholpen en Lorenzo loopt ernaast om ons naar het dichtstbijzijnde kampeerplekje te brengen. Zo stranden we, met onze 60 kilogram bagage, op 3400 meter. Lorenzo vraagt nog of we niet beter kunnen afdalen, omdat hij denkt dat Roland last heeft van hoogteziekte. Ik zeg dat we hier willen blijven. Ik weet niet wat Roland heeft en kan alleen maar hopen dat het iets tijdelijks en niks ernstigs is. En zo blijven we achter in the middle of nowhere, 2 dagen lopen verwijderd van het dichtstbijzijnde dorp, helemaal op onszelf aangewezen. Over 10 dagen komt Lorenzo ons hier of iets hogerop weer ophalen. Roland heeft koorts en slaapt de hele middag. We vermoeden dat de courgette van gisteren bedorven was. Ikzelf slik diacure tegen de diarree en heb verder nergens last van.
Dag 3
We worden wakker door de zon die de tent verwarmt. Ik stap uit de tent en weet niet wat ik zie. Alles rondom de tent is met een wit poederlaagje bedekt. Gisteren was alles nog in de wolken gehuld. Nu zie ik voor het eerst de indrukwekkende vergletsjerde 5000-ers om ons heen. Roland voelt zich wonderbaarlijk genoeg stukken beter. We besluiten om een poging te wagen om vandaag spullen omhoog te brengen. Onze 70 liter rugzakken worden maximaal gevuld met eten. Zo zwaar is mijn rugzak nog nooit geweest. Maar het prachtige uitzicht doet de last op mijn rug snel vergeten. De Tupungato verschijnt nu voor het eerst in beeld. In eerste instantie ziet de berg er een beetje teleurstellend uit. Het is een bultje, een platte berg die nauwelijks boven zijn buurbergen lijkt uit te steken. Hij schijnt toch echt 6570 meter hoog te zijn. Alles is hier groter en verder weg dan het in eerste instantie lijkt. We laten de inhoud van onze tassen achter op 4400 meter, dit wordt ons basiskamp, en lopen weer terug naar beneden. Het was een zware dag, maar wel ongelofelijk mooi.
Dag 4
We lopen voor de tweede keer omhoog naar het basiskamp met twee gevulde rugzakken. Helaas, het weegt net zoveel als gisteren. Het landschap is nou niet meer nieuw en biedt geen afleiding voor het afzien en de pijn. Ik heb last van sneeuwblindheid gekregen, omdat ik de zonnebril op heb in plaats van de gletsjerbril (die in het basiskamp ligt). Ik ben blij als we de tent in ons basiskamp opgezet hebben en ik mijn ogen dicht kan doen. Roland is flink verbrand op zijn neus. Factor 30 is blijkbaar te weinig, hij moet zijn neus afplakken. We vinden plotseling een mysterieus blauw briefje: “Gegroet, oh Pelgrims. Slaat hier linksaf, alwaar gij het meest linkse pad neemt.” Hier achtergelaten door Sit Nalta himself? Zal het een speciale betekenis hebben? Ach, welnee, het is gewoon uit een van de eetzakken gevallen, een overblijfsel van een wandelweekend.
Dag 5
De bevoorrading van kamp 1 staat op het programma. We doen dit niet alleen om spulletjes omhoog te brengen, maar ook om aan de hoogte te wennen. Hoog klimmen en laag slapen is het motto van acclimatisatie. Vandaag zijn we erg selectief in de hoeveelheid eten die we omhoog brengen. We hebben veel te veel eten bij ons, het avondeten is ongeveer dubbel zo veel als nodig. We eten slechts 1 pakje Rizziebizzie of Spaghetteria per dag met z’n tweetjes. Dat komt deels doordat we beiden last hebben van onze maag. Maar ook doordat ik nou eenmaal altijd kleine ‘bergsteigeressen’ porties eet en Roland niet gelooft dat ik daarop kan lopen. Trouwens, bij het inkopen van het eten waren we nog in de veronderstelling dat al onze spulletjes netjes op het basiskamp afgeleverd zouden worden door het ezeltje, dan maakt die paar kilo reserve-voedsel ook niet zoveel uit.
We lopen de meest rechtstreekse route van basiskamp naar het kamp 1 via een steil puinveld, dat steeds iets steiler en losser wordt. Eén stap vooruit en twee stappen terug. Erg frustrerend, ik lijk gewoon niet vooruit te komen. Het is ook nog eens te koud om stil te staan en uit te rusten. We vechten ons omhoog, al vloekend en zuchtend. Bovenaan de puinhelling sta ik te wankelen op mijn benen, helemaal uitgeput, verslapt door de kou en inspanning. We zoeken beschutting tegen de wind achter een rotsblok. Als ik eenmaal opgewarmd ben en wat gedronken heb voel ik de kracht terug stromen in mijn lichaam. Als een wonder. We gaan weer verder. Links ziet Roland een steenman. Huh, waar leidt dat heen? Als we verder naar links kijken met de verrekijker, ontdekken we een vaag spoor. Als we vanochtend naar links waren gelopen, in plaats van rechtdoor, hadden we ons een hoop ellende kunnen besparen. Dat we deze route op de heenweg niet zagen is niet zo verwonderlijk. De sporen en steenmannen zijn nog bedekt met een flinke laag sneeuw. We hadden dus gewoon naar Sit Nalta moeten luisteren. Hoe konden wij zo naïef zijn om Zijn boodschap te negeren? Wij respectloze ketters. Sit Nalta, help ons om deze berg te beklimmen en gezond weer naar huis terug te keren. Sit Nalta zij met ons.
De hoogte is nu duidelijk merkbaar, want mijn conditie is niet meer wat het geweest is. Het is zwaar sporen door de kniediepe sneeuw met penitentes (puntige uitsteeksels van keiharde sneeuw). Alles gaat langzamer dan normaal. Er staat een ijzig koude wind. Hou koud zou het daarboven wel niet zijn? We laten onze spullen achter op 5100 meter, dat wordt ons kamp 1. We ‘way-pointen’ de plek in de GPS. We hebben een prachtig wijds uitzicht over de Andes in het noorden en westen. We zien de Aconcagua liggen, die markant boven alles uit steekt. Het is een mooie berg, dat moet ik toegeven. Maar daar loop je in een file omhoog en hier kom je geen mens tegen. Erg lang genieten we niet van het uitzicht. Het trekt dicht en gaat sneeuwen. We dalen snel af via de makkelijkere route.
Dag 6
Het basiskamp wordt afgebroken. Daaaag lekker comfortabel en warm kampje in het zonnetje, ik zal je missen. De eerste nacht in kamp 1 op 5100 meter doet Roland geen oog dicht vanwege de storm. Ik heb alle vertrouwen in de Terra Nova en val met een gerust hart als een blok in slaap.
Dag 7
De zon schijnt, de lucht is strakblauw, de wind is gaan liggen. Klimstress! Roland gaat nog even verder slapen en ga ik voor de solobeklimming van kamp 2, ons hoogste kamp. Mijn rugzak is lekker licht, want het eten wordt steeds minder. Het gaat erg lekker vandaag. Ik wil een plekje zoeken zo dicht mogelijk bij het enorme topblok, waar het nog vlak genoeg is om te kunnen staan. Het topblok is eigenlijk geen blok maar een op zichzelf staande berg van 500 meter hoog. En ik trap er ook iedere keer weer met mijn kleine voetjes in. Nee, Adèle, dit zijn niet de Alpen, dit is de Andes. Dat topblok was heus niet van plan om de komende uren ook maar een tikkeltje zichtbaar dichterbij te komen. Het schiet maar niet op. Als ik een mooi vlak stuk zie, kan ik de verleiding niet meer weerstaan. Ik geef me gewonnen en besluit dat dit dan maar kamp 2 moet worden. De GPS geeft aan dat ik op 5700 meter zit. Aha, dat verklaart de barstende koppijn. Ik had niet verwacht al zo hoog te zitten. Ik probeer een slokje te drinken, maar mijn maag vindt de ijslimonade maar niks. Ruim 4 uur na vertrek ben ik alweer terug bij kamp 1. Daar laat ik me door Roland verwennen - toelichting voor de dirty minds: met thee, soep en enkele hardkeks met vis.-
Dag 8
Waarom vind ik de tweede dag, dat ik eenzelfde traject loop, altijd veel zwaarder? Er is nu niks moois en niks nieuws meer aan. Ik vervloek mezelf dat ik gisteren zo nodig de bikkel uit moest hangen. Ik had gisteren gewoon iets lager moeten stoppen, toen de hoofdpijn nog te hebben was, toen er nog een tikkeltje meer zuurstof in de lucht zat, toen ik nog niet hoefde uit te hijgen na een paar stappen stijgen. Aangekomen bij de spulletjes ga ik na een korte pauze nog even kijken of ik verderop een beter kampeerplekje kan vinden. Ik vind geen betere plek, je staat hier overal midden op de noordgraat en pal in de wind. Ik bekijk door de verrekijker de route door het indrukwekkende topblok. Het lijkt behoorlijk steil, maar volgens de beschrijving is het maximaal 35°. Het is te hopen, want we hebben geen touw mee genomen. Als ik terug kom bij Roland is hij van vermoeidheid in slaap gesukkeld. Dat kun je beter niet doen hier in deze kou. Met moeite krijgen we de tent opgezet. Alle bewegingen gaan in slow motion. De wind maakt het ons ook niet makkelijk. Alle scheerlijnen worden zorgvuldig vastgelegd met stenen. Roland gaat slapen en ik houd me voor de verandering bezig met sneeuw smelten, een behoorlijk tijdrovende bezigheid. Het gebruikelijke rollenpatroon is eigenlijk dat de man met vuur en sneeuw speelt, terwijl de vrouw in de warme tent het eetproces coördineert en voorbereidt. Als er genoeg vloeibaar water is kruip ik ook in de tent en wordt er in de deuropening gekookt. De hoogte heeft ook effect op de eetlust en het pakje Spaghetteria gaat vandaag maar voor de helft op. Mijn avondmaaltijd bestaat uit een paar schamele hapjes eten, een vitaminepilletje, een diacure en een aspirine. Thee en soep krijg ik gelukkig wel naar binnen.
Dag 9
We moeten een rustdag nemen. Of klinkt acclimatisatiedag beter. Ik heb slecht geslapen deze eerste nacht op 5700 meter, last van hoofdpijn en een droge mond. Ik blijf zowat de hele dag in de tent liggen relaxen en een boekje lezen. Roland gaat wel nog een stukje wandelen om de route beter te kunnen bestuderen. Ik probeer zoveel mogelijk eten en drinken binnen te krijgen, want dat zal er morgen wel niet van komen. Ik eet baby porties, na ieder hardkekje kan ik een kwartier lang niks meer eten. Nee, het leven op 5700 meter is geen feest.
Dag 10
Topdag. We staan om 3.30 uur op en gaan om 5 uur op pad, in het donker. Ik heb wederom nauwelijks kunnen slapen. Vanwege de hoogte, vanwege de storm of vanwege de zenuwen? Vandaag moet het dus gaan gebeuren. Nu of nooit. We balen enorm, het waait vandaag erg hard. Maar het is daarentegen niet extreem koud, het is –11°C in de tent. Waarschijnlijk een van de warmere dagen van de afgelopen week. Ik heb alle kleding aan die ik bij me heb: thermo-ondergoed, klimbroek, regenbroek, dunne trui, dikke fleece, windstopper, goretex jas, bivakmuts, 2 paar sokken, handschoenen en wanten. Brrr, ging die gure koude wind nu maar liggen. Ik krijg het steeds kouder en ga ik steeds langzamer lopen. Ik strompel achter Roland aan. Ik val af en toe bijna om bij een windvlaag. Ik voel me ziek, zwak en misselijk. We gaan even zitten, we kunnen geen beschutting vinden, en overleggen. Wachten tot de zon ons opwarmt of terug naar de tent? Mijn vingers en tenen zijn inmiddels gevoelloos geworden. Roland heeft het ook koud, maar kan tenen en vingers nog gewoon bewegen. De keuze is niet zo moeilijk. Liever een bergtop minder scoren dan een vingertop verloren. Terug in de tent kruip ik in mijn heerlijk warme Demmenie slaapzak. Na een tijdje beginnen diverse lichaamsdelen heel pijnlijk te tintelen. Het bloed stroomt weer en ik heb geen blijvende schade opgelopen. Buiten blijft het flink waaien en ik realiseer me dat het ook met zon nog onmogelijk zal zijn om de top te halen. Te koud en je komt gewoon nauwelijks vooruit tegen de storm in. Morgen moeten we weer terug zijn in het basiskamp, waar Lorenzo hopelijk klaar staat met het ezeltje. Helaas, het is voorbij. Ik baal ervan dat mijn lichaam niet tegen deze kou bestand is. Ik val in slaap en droom over een warme douche, lekker en veel eten en een overdosis aan zuurstofmoleculen die ik inhaleer.
Om 10 uur maakt Roland me wakker. De wind is iets gaan liggen. Zullen we een eindje gaan wandelen, gewoon eens kijken hoever we komen? Ach, waarom ook niet, we hebben hier toch niks beters te doen. De lucht is strakblauw en zal dat de komende uren ook wel blijven, is onze ervaring van de afgelopen dagen. We drinken het laatste beetje thee uit de thermosfles op en gaan wederom op weg. De kou is nu net te hebben, zolang we in beweging blijven. Het eerste deel gaat lekker over puinvelden en sneeuwvelden. Onderin het topblok beginnen de problemen. We krijgen een puinveld dat me sterk doet denken aan dag 5. Het is erg zwaar en we komen maar tergend langzaam vooruit. De opluchting is groot als we na lang zwoegen het besneeuwde couloir bereiken. We doen de stijgijzers onder. Wat is dit heerlijk; bij iedere stap die je zet ga je ook daadwerkelijk omhoog. Roland spoort alles en daar ben ik wel blij om. Ik voel me vandaag slap. En in dit alpiene terrein voel ik me sowieso minder zeker dan Roland. Soms sta je op keihard ijs en soms zak je tot je knieën in de sneeuw. Ik weet eigenlijk niet of ik kan remmen bij deze steilheid van 30° en met mijn ietwat verlaagd reactievermogen vanwege de hoogte. Ik wil het ook niet weten. Bovenop het topblok komt voor het eerst de gedachte in mij op dat we misschien de top kunnen bereiken. We hebben nog maar 200 hoogtemeters te gaan, mijn voeten zijn nog niet bevroren, de wind blaast me nog net niet omver, de lucht is nog steeds blauw. Go for it! Even later komt de top in zicht. Kut, het is echt nog een teringeind lopen. Roland zegt geruststellend: “Nog even volhouden, nog maar een kwartiertje lopen.” En we weten allebei dat dat niet waar is. Ik tel mijn voetstappen. Ik sta mezelf toe dat ik na 50 stappen mag uithijgen. De stapjes worden kleiner en kleiner. En uiteindelijk ga ik om de 20 stappen uitrusten. Roland zegt uiteindelijk: “We zijn er nu echt bijna, nog maar 30 stapjes.” En wederom is het niet waar. Het zijn er 67. We staan op 6570 meter. Het is al half zes. De wind maakt het ons moeilijk om overeind te blijven. Volgens klimmers, die hier in 1998 waren, zou hier een topboek moeten liggen. We zien het boek niet en hebben ook geen zin om lang te zoeken. Snel maken we een paar dia’s. Wegwezen hier. Het is koud, winderig en er vliegen wat wolkjes langs ons heen. Pas achteraf zien we op de dia’s dat het uitzicht fantastisch was. De afdaling door de sneeuw verloopt vlot, totdat Roland’s linker stijgijzer tot twee keer toe los schiet. De puinhelling is een ramp. We gaan regelmatig onderuit. Roland is erg moe en loopt steeds langzamer. Ik wil het liefst zo snel mogelijk in mijn slaapzak kruipen, maar we moeten echt bij elkaar blijven, op elkaar letten. We lopen nu in de schaduw en de zon is bijna onder. De wind is geleidelijk weer aangewakkerd. Ik moet bij iedere stap met mijn tenen bewegen en ik bid tot Sit Nalta: “Laat mijn tenen niet bevriezen”. Uiteindelijk komen we om 20.15 uur bij de tent aan, terwijl de zon onder gaat. We gaan niet meer koken of sneeuw smelten, daarvoor zijn we te moe. We proberen onze bevroren flessen op te warmen in de slaapzak en drinken het beetje vocht dat daaruit komt. We zijn 10 uur onderweg geweest zonder pauze, zonder eten, zonder drinken. Laten we maar een preventief aspirientje nemen tegen de hoofdpijn die we vannacht ongetwijfeld zullen krijgen. De derde en laatste onrustige nacht in kamp 2.
Dag 11
De brander wil maar niet aan gaan. Help, we moeten sneeuw smelten, we hebben enorme dorst. Uiteindelijk lukt het met behulp van het kousje en door met de aansteker de verdamper te verwarmen. Het waait harder dan gisteren, je hebt hier blijkbaar storm in alle mogelijke gradaties. Gelukkig is de graat heel breed en waaien we er niet zo makkelijk vanaf. We halen achtergelaten spulletjes op in kamp 2, kamp 1 en basiskamp en gaan iets onder het basiskamp staan. Ik moet nog een keer extra omhoog naar het basiskamp lopen, omdat we het overgebleven eten en de andere spullen net niet in één keer kunnen dragen. Roland vult de waterzak met 10 liter water uit een riviertje met smeltwater. Hij maakt vervolgens een pannetje thee, koffie, thee, warme limonade, thee, soep, thee, bami goreng met gedroogde chamignons en walnoten, thee, thee, koffie en dan nog maar een litertje thee. Daarna moet ik een paar druppeltjes plassen, voor het eerst sinds eergisteren. En wat slaap ik heerlijk op 4200 meter.
Dag 12
De afspraak met de ezelman was wat vaag; hij zou ons ergens tussen 3200 en 4200 meter komen ophalen, afhankelijk van het weer. We zijn opgelucht als wij het ezeltje ’s ochtends daadwerkelijk zien aankomen. De wandeling naar beneden is prachtig. We zien een stomende vulkaan, diepe canyons, allerlei kleuren zand en rotsformaties. Op de heenweg hadden we geen zicht, nu kijken we onze ogen uit en knippen veel foto’s. Het wordt steeds warmer en stoffiger tijdens het afdalen. In Santiago zal het nu 30°C zijn. Onderweg komen we voor het eerst andere klimmers tegen. Eerst een groepje Duiters, die hier vorig jaar ook al een poging gewaagd hebben. Ze feliciteren ons met de prestatie. ’s Avonds op het kampeerplekje komen we een groepje tegen met 2 Amerikanen, een Chileen en Kurt Diemberger. Kurt is 69 jaar oud en heeft in zijn jonge jaren een aantal eerstbeklimmingen van 8000-ers op zijn naam gezet. Voor Kurt wordt dit de derde poging om de Tupungato te beklimmen.
Bij thuiskomst zullen we vernemen dat beide groepjes die na ons omhoog gingen de top niet gehaald hebben vanwege extreme kou en storm. Een van de Amerikanen mailde ons dat hij maar tot 4800 meter is gekomen vanwege zijn matige slaapzak, maar dat hij wel erg blij is dat hij al zijn vingers nog heeft. Hij stuurde ons tevens een link van een stoer en dramatisch heldenverhaal over de Tupungato, waarin iemand zijn been breekt en mensen bevroren vingers moeten laten amputeren. Lekker op z’n Amerikaans en lichtelijk overdreven, maar ik geloof wel dat het op de berg echt kan spoken. De omstandigheden die wij hadden, zullen ze in de Andes wel als een grand-beau dag bestempelen. We hebben gewoon geluk gehad. Sit Nalta was met ons.