Stagevakantie Zimbabwe
Annemieke Adams
Voor de eerste keer op het balkon zittend in de zon dit jaar, begin ik eindelijk met het stukje schrijven over Afrika. Dit heerlijk warme weer lijkt alweer zolang geleden, en toch heb ik tot en met november zomer gehad. Begin augustus vertrokken Marieke en ik voor onze stage fysiotherapie naar Zimbabwe, het was toen winter daar. De mensen vonden het ontzettend koud in die periode, en het personeel van de Fysiotherapie afdeling zat steeds bij elkaar rond een van de weinige kacheltjes. Overdag was het helder en zonnig zomerweer, helemaal geen winter dus. Maar in het ziekenhuis was het af en toe erg koud voor patiënten, zonder verwarming en tocht door open ramen. Tot ongeveer half oktober waren er nauwelijks wolken in de lucht te zien. De eerste regenbui was echt genieten, lekker fris en verlichtend bij de droogte en stof van het land. Wij waren in het heetste seizoen: september en oktober, maar de hitte was goed vol te houden, al waren we blij als we de korte broek en hemdje aan konden na een werkdag, of een uurtje konden gaan afkoelen in het zwembad in het park.
Ik kijk terug op een periode die ik zeker niet had willen missen. Als ik denk aan Zimbabwe zie ik de zon, ontzettend mooie natuur en dieren, een hele hoop ruimte, lekker fruit zoals mango’s en ananassen, en vrolijke aardige mensen met veel talenten die veel relaxter en minder individueel leven. Ik zou zo terug willen en er ook best een huis bouwen, op een van de mooie plekken. Het is alleen niet slim om op dit moment te gaan. Het gaat niet goed met Zimbabwe. Het was een van de meest vooruitstrevende landen van Afrika en nu gaat het de laatste twee jaar alleen maar achteruit. Alles wat er is opgebouwd zakt langzaam in elkaar, en de laatste maanden wel erg snel. Vanavond zijn de verkiezingen afgelopen, maar het is inmiddels al lang duidelijk dat Mugabe weer gaat winnen. Berichten hier zijn natuurlijk wel alleen maar negatief; over honger, politiek geweld, martelingen en vervolgingen. Als je daar zit valt het vaak nog mee, wat ook blijkt uit het contact met onze stagebegeleider. Het is wel zo dat iedereen graag het land wil verlaten, vooral de mensen met een beetje opleiding. Tot eind maart is er nog een fysiotherapeut, dan pas in juni weer de pas afgestudeerden. Vorig jaar waren het er nog negen. Maar goed, over de ellende nu hebben jullie al veel in de kranten kunnen lezen, en gaat niet zo over mijn belevenissen daar.
We verbleven in een jeugdherberg, supergoedkoop en heel gezellig. Er woonden mensen uit Zimbabwe zelf voor langere tijd, wat andere studenten of werkenden voor tijdelijk, en veel rondtrekkende jongeren voor een aantal nachten of langer. Ik heb veel verschillende mensen ontmoet, het was altijd erg gezellig en de gesprekken waren boeiend. Zeker ook met de ‘Rainbow people’ die op een gegeven moment met een hele groep aanwezig waren. Mensen die al jaren lang rondtrekken, heel eenvoudig leven, doen waar ze die dag zin in hebben en zich allemaal als broeders en zusters beschouwen. Van Tony, de klusjesman en schoonmaker in de jeugdherberg hebben we heel wat geleerd over Zimbabwe, de natuur, de mensen, alles.eigenlijk. Mr Malambo was altijd erg met de economie en politiek bezig, waar we ook veel van hebben gehoord. Hij was wel zo’n zakenman dat we een van de eerste dagen erg nadelig met hem geld hadden gewisseld.
De weekenden profiteerden we zo goed mogelijk van onze tijd. We wisten meteen al dat we in die vier maanden nog niet alles zouden kunnen doen wat mogelijk was, en we gebruikten onze tijd dan ook goed om veel te zien van de omgeving en de cultuur. We probeerden alle vervoersmiddelen uit: chickenbus, commuter busjes, nachttrein, liften, landrover, achterop een truck, maar meestal gingen we ergens naar toe met onze mountainbikes, die we gehuurd hadden bij de jeugdherberg. Soms hadden we een extra dag vrij: dat ging heel gemakkelijk omdat onze stagebegeleider vond dat we zoveel mogelijk van Zimbabwe moesten zien. (Hij vroeg ook altijd naar wat we hadden gezien en wat de plannen waren te gaan doen, en nooit zei hij uit zichzelf iets over onze stage). Doordat het contact met de mensen daar heel gemakkelijk verliep kregen we ook vaker een uitnodiging voor een weekend, en dat was dan handig geregeld. Op een gegeven moment hadden we zoveel afspraken en uitnodigingen dat het teveel werd om allemaal te doen, en we liever zelf wat gingen ondernemen.
Zimbabwe is zeker een land voor natuurliefhebbers: bloemen, planten, wilde dieren, vogels, vlinders etc. We hebben ze bijna allemaal gezien, behalve de leeuw en luipaard helaas. Olifanten waren er echt enorm veel. Een nacht sliepen we in een wildpark op een platform bij een waterplas waar de hele nacht door olifanten zaten te stoeien, trompetteren en grommen. Gelukkig hoefde ik ’s nachts niet nog eens het trapje af naar de wc beneden, waar ik wel eens in het donker een olifant zou kunnen ontmoeten. Giraffen heb ik wel het meeste gezien, maar het zijn nog steeds bijzonder leuke beesten. Op een paard kun je er het dichtst bij komen zonder dat ze schuw worden, al is het wegrennen van de giraffen ook komisch om te zien met hun golvende lange nekken. Een aantal nachten hebben we buiten geslapen onder de heldere sterrenhemel, hopend dat er geen enge spin of slang zou komen kijken. Gelukkig waren de enige dieren in de buurt aapjes, die ’s morgensvroeg nieuwsgierig kwamen kijken, hun kopjes op en neer bewegend en steeds op hun hoede dichterbij komend. Het gebied had wel de hoogste concentratie luipaarden van Zimbabwe, maar dat kon geen kwaad.
Voor de drie weken dat we zouden gaan rondreizen hadden we een mooie Landrover tot onze beschikking, waar menig ETRAC-er jaloers op kan zijn. Het dak was de fijnste plek van de auto om lekker te zitten en van de natuur rondom te genieten. De Landrover, die overigens weinig land meer roofde, had wel een aantal keren reparatie nodig onderweg. Toen we ’s morgens heel vroeg opgestaan waren om de hoogste berg te gaan beklimmen, kwam de auto niet tot aan het begin van de tocht. We liepen meer te duwen en achter de auto aan dan dat we erin zaten.
Nou eindelijk eens over klimmen, want rotsen waren er genoeg. Hele mooie zelfs, en heel verschillend. Vlakke en steile granietplaten, en ook overhangende rotsen met veel grotten en doorgangen erin. En veel boulderblokken, in alle vormen en maten, vaak tot meters hoog op elkaar gestapeld: de ‘balancing rocks van Matopos’. Er was natuurlijk in geen enkele rots een haak te bekennen, en we kwamen ook niet echt andere klimmers tegen. Genoeg te doen om routes te openen dus. Er zijn vooral bij overhangen in de rots, 6000 jaar oude rotsschilderingen gemaakt door de San, de bosjesmannen. Op zo’n plaatsen worden nog wel eens regendansen gehouden en meestal is het een geweldig mooie ligging met een wijds uitzicht op de omgeving. De meeste ‘heuvelbulten’ kun je via de gemakkelijkste weg gewoon omhoog lopen, zoals een niet al te steile wrijvingsplaat. Een weekend hebben we heel erg veel geklauterd en geboulderd, op teva’s ging het erg goed. Kinderen die het gebied door en door kenden namen ons mee, alle rotsen op en grotten en gangen door. En nergens in de omgeving is het geluid van een autoweg te horen, alleen het snerpende geluid van cycaden. Nadat er een hevige onweersbui met hevige regenval was neergekomen, hoorde je in de verte het water over de rotsen stromen. Even later was de vers ontstane rivier weer helemaal opgedroogd. Ik heb daar echt perfecte EBI plekken ontdekt en genoeg alternatieven voor Fontaine Bleau. De bomen en lianen zijn overigens ook geweldig om te klimmen en te slingeren en zwaaien.
Een weekend zijn we met de nachttrein naar Victoria Falls gegaan, een leuke belevenis zo'n slaaptrein. Het is echt een stoptrein met lange stops, waar je dan alleen bush ziet en soms een paar mensen rond een vuurtje. De mensen lopen met hun bepakking (op het hoofd, en kindjes op de rug) de bush in. De trein rijdt door een national park en 's morgens zagen we vanuit ons bed olifanten en apen. In Vic Falls aangekomen werden we bestormd door mensen die vroegen of we wilden overnachten, raften etc. Het is echt een toeristenplek, maar de watervallen zijn zo mooi en groots. Je kunt er uren op een rots zitten, met je benen over de rand van de kloof waarin je diep beneden regenbogen ziet en kijken naar de watervallen die zich links en rechts tot waar je kunt kijken uitstrekken en naar beneden donderen. De andere engelse student heeft nog gebunjeejumpt vanaf de brug.
We zijn ook in Zambia geweest, om van die kant de Falls te bekijken, wat nog veel mooier was. Van die kant was het mogelijk om de Zambezi over te steken en bovenaan de Falls te staan. Dit wilden we eerst illegaal gaan doen, vanaf de Zimbabwe side, maar na wat proberen en verkennen was het toch niet echt mogelijk, veel te harde stroming (en krokodillen en hippo's). Dus zijn we maar met een gids gegaan, die zich toch al aan het opdringen was. De tocht was erg spannend, met de handen vast zijwaarts over een richel in de rivier stappen, wetend dat als je evenwicht verliest en achterover valt je met de Falls mee naar beneden gaat. Maar het was zeker de moeite waard, een machtig uitzicht aan de top van de Falls. Er was daar ook een swimming pool waar we in gezwommen hebben en toeristen aan de overkant konden ons van de rots in het water zien springen (wat wij de dag ervoor gezien hadden en dus ook wilden doen). We zijn nog een pad langs de Zambezi gaan lopen, hopende dieren te zien, maar niet te gevaarlijke. Een security guard bracht ons naar olifanten, we waren er echt vlakbij! Ze begonnen te spelen en we moesten lachen om de 'salamisausage' (zoals de security guard het noemde) van de mannetjesolifant. Hij vertelde ons nog verhalen over allerlei bomen in de omgeving met lustopwekkende en borstvergrotende takjes.
Met het rondreizen zijn we nog een keer naar VicFalls gegaan, en dit keer wilden we wel raften. Over het raften in de Zambezi kloof hadden we al veel verhalen gehoord, de meeste waren erg enthousiast. Vantevoren mochten we nog kiezen wat voor soort boot we wilden: een holidayboot, waarbij je alleen maar vast hoeft te houden en een guide in z’n eentje het werk doet, een boot met zelf roeien en een guide die het sturen wat beter in de hand heeft door een extra plateau in de boot, en een ‘echte’ raftboot. Ons groepje bestond uit Marieke, haar vriend en ik, drie dikke Afrikanen en nog een meisje met een roze badpak, deodorant en zonnebrand in haar hand. We kozen eerst voor de middelboot, maar toen we naar de rivier afdaalden, hadden we er al spijt van en wilden toch ‘echt’ raften. Dit hebben we geweten ook: de guide Philani die we hadden liet ons meteen de eerste waterval ‘Morning Glory’ omslaan, en daar ging ik in het woeste kolkende water. Er viel niets meer in te brengen tegen deze watermassa dan hopen niet tegen rotsen te slaan en lucht proberen binnen te krijgen. Het was echt superakelig, ik dacht dat ik doodging daar. De boot was al lang niet meer in de buurt en de kolken bleven me maar steeds onder water trekken. Natuurlijk werd alles nog veel erger omdat ik ging panieken en niet meer kon ademhalen. Na eindelijk terug in de boot te zijn getrokken, was er nog maar een ding waar ik me mee bezig kon houden: zo vlug mogelijk weg zien te komen. Maar dat kon natuurlijk niet, behalve het roze meisje mocht eruit, die na een half uurtje op de Zambezi, al uit moest stappen om haar vliegtuig te kunnen halen. Dit was haar beloofd door de organisatie, en ze was ontdaan dat ze de vlucht zou gaan missen en voor het raften had moeten betalen.
Na een tweede keer omslaan, dit keer kwam ik onder de boot terecht, waarbij ik een peddel tegen m’n tanden kreeg en dus een tand door de lip, mochten Marieke en ik in een andere boot overstappen die nog niet omgeslagen was. Ik vroeg me steeds af hoe ik ooit het einde van deze tocht zou halen. Gelukkig kon ik bij de lunchpauze besluiten ’s middags niet meer mee te gaan, en dit was ik eerst ook zeker van plan. Ik stond nog steeds na te trillen van de angst en ik kon nauwelijks genieten van de lunch. Philani heeft ons toen toch overgehaald nog ’s middags mee verder te gaan. Hij beloofde goed op ons te letten en hij zou ervoor zorgen dat de boot niet meer ‘flipte’. Natuurlijk was dat omkiepen met opzet gebeurd, een kwestie van sturen van hem. Met nieuwe moed stapten we in en zakten verder de Zambezi af. De ene na de andere waterval doorstonden we met ons ‘team’, iedere ‘Rapid’ had een onheilspellende naam en verhaal. Instructies opvolgen en snelheid maken was belangrijk: pas als de guide ‘go down’ zei, mochten we wegduiken in de boot en het touw goed vastgrijpen. En dan hopen dat je in de boot blijft. Je kreeg dus ook instructies voor wat te doen mocht je toch uit de boot gesleurd worden. ‘Short Swimmers’ konden ‘gemakkelijk’ weer aan boord gehesen worden, ‘Long Swimmers’ echter hadden een probleem. Meestal moest je dan een bepaalde kant op zwemmen, anders zou je meegetrokken worden in een kolk of stroming, en als je het dan zou overleven dan zouden in ieder geval al je kleren de diepte in worden gezogen. En dan waren er nog de krokodillen, maar die zaten alleen bij de rustige gedeelten, waar we op moesten passen met zwemmen.
De allerlaatste rapid was de grootste en hoogste die we moesten trotseren en hij bestond uit drie delen. Intussen vertrouwde ik Philani al iets minder in het goed sturen van de boot bij deze. En ja hoor, nummer een ging vol goede moed en teamspirit goed, de tweede ook. Ik hoopte aan een stuk door dat ik in de boot zou blijven, maar helaas. Bij de derde kwam de boot langzaam loodrecht op het water te staan en ik zag de dikke Afrikaan die voor me zat op me afkomen terwijl de boot omsloeg. Opnieuw in paniek en een bloedende mond werd ik meegesleurd door de golven, tot ik me aan iemand kon vastklampen. Samen probeerden we in het rustige stuk water naar de boot terug te komen. Natuurlijk was de boot door Philani met opzet zo gestuurd: allemaal voor de cameraman. Er is ook een legende van de Zambezi rivier: twee slangen die leefden in de rivier zijn van elkaar gescheiden door de bouw van de Karibadam. Nu raast de toorn en woede van de eenzame slang in de rivier. Het was een heel avontuur en achteraf hebben we erg gelachen, maar nooit meer ga ik raften, dat weet ik wel. Dan toch maar liever klimmen, dat is minder eng.